'Geen poep' zin had hij in het voorbereiden van zijn toetsweek. 
En dan druk ik me veel beschaafder uit dan hij urenlang deed. Scheldend en tierend, mopperend en mij en de rest van de wereld dodelijke ziektes toewensend lag hij op de bank met zijn boek Duits. Dat intussen natuurlijk de hele tijd dicht bleef. 

Want leren, dat ging hij echt niet doen. Leren is voor losers. ‘K%$#@’, ‘P$#&%’ en ‘Stom’ was het.

 

En dat waren zijn ouders ook.

Vooral ik.

 

Want ik had gezegd dat het misschien een goed idee was om te leren. Dus ik was echt de grootste low-life die hij kent.

 

Dom, stom en ‘niets beter dan een fossiel’ waren zijn woorden.

 

Dat kwam aan. Dat kwam echt binnen. Want… ook ik wil aardig gevonden worden door de mensen om wie ik geef.
En ik geef het meest om mijn kinderen. Alleen zijn die in de leeftijd dat ze zich juist keihard aan het losmaken zijn. En dus mijn liefde aanzien voor bemoeizucht. En sowieso moeite hebben met zich tot leren zetten. Niet omdat het moeilijk is, maar omdat zij er zelf niet voor kiezen.
Zij maken zelf wel uit wat ze doen. Net als ik, overigens. Iets met een appel en een boom.

 

Maar dat had ik allemaal niet door. 

Het enige wat ik voelde was dat ik geraakt was.

Door mijn 13-jarige zoon, voor wie ik alles zou doen.

Gekwetst, dat was ik.

Nou ben ik natuurlijk niet voor niets trainer en coach in Persoonlijke Vaardigheden, dus wist ik ergens wel dat het niet terecht was dat ik me zo gekwetst voelde.

Dat dat oude pijn van mij was, en niets te maken had met hem.

Dat hij zich vooral onmachtig voelde en niet wist hoe hij hiermee om moest gaan. 

 

Maar… net als ieder ander vind ik het in dit soort emotionele momenten ook erg lastig om de juiste invalshoek te vinden, omdat ik zo bezig ben met mezelf.

Ik probeerde te graven in mijn geheugen: welke mogelijkheden kende ik allemaal?

'Grenzen aangeven!' had ik ooit als tip gekregen.

(‘Jij bent te lief voor je kinderen!’ kwam er dan achteraan, waardoor ik weer aan mezelf ging twijfelen).

 

Dus…  streng sprak ik hem toe: ‘Ik wil niet dat mensen zo tegen mij praten.’

Ik was trots op mijzelf: zo moest het! Precies volgens het boekje!
‘Ik ook niet,’ zei hij, ‘dus houd jij ook maar je mond.’ 

 

Verbluft en verpletterd -en eerlijk gezegd nog meer gekwetst- keek ik hem aan. Tranen van oud onverwerkt verdriet welden op in mijn ogen. Dit was duidelijk een aanpak die bij ons niet werkte.    

Natuurlijk niet, overigens. Want waarom mag ik wel tegen hem zeggen dat hij niet zo mag praten maar hij niet tegen mij?

Redelijke argumenten

Dan maar met redelijke argumenten.

‘Als je op de bank gaat liggen lukt het leren niet,’ zei ik, ‘dan gaat je lichaam in slaapstand’.

‘Bij jou lukt dat waarschijnlijk niet omdat je zo dom bent, maar bij mij wel’ antwoordde hij. ‘Ik ken mijzelf beter dan jij jezelf ooit zult kennen!’

Oh ja, dacht ik, argumenteren, daar win je het nooit mee met pubers. Die hebben altijd een antwoord terug, en dat het nergens op slaat interesseert ze helemaal niets. 

Nog veeeeeel meer......

Ik probeerde daarna van alles: dreigen, smeken, streng zijn of wanhopig doen.  Maar niets hielp. Ten einde raad was ik. Ik begon dezelfde dingen over hem te denken als de dingen die hij tegen mij zei, over mij. 


En toen ineens dacht ik aan mijn cursus provocatief coachen.
Daar had ik toch ook iets geleerd?
Dat was de oplossing!
Boze puber

‘Trek je schoenen aan, want we gaan wandelen‘ zei ik.

 

Gek genoeg weet hij heel goed dat als ik dat bedacht heb, er geen ontsnapping mogelijk is. Ik hou namelijk zelf eigenlijk niet van wandelen, dus dat stel ik niet zomaar voor. 

 

Mopperend en scheldend trok hij zijn schoenen en jas aan en ging mee wandelen. Alleen een blokje rond het huis, beloofde ik, met een vriendelijke glimlach. Veel langer, dacht ik bij mezelf. 

‘Dat zeg je altijd, en dan nemen we steeds andere afslagen’ zei hij. Alsof hij gedachten kon lezen! Het ontbreekt hem blijkbaar toch niet aan enige mensenkennis. Of moet ik moederkennis zeggen?

 

‘Wandelen is voor stomme oude mensen’ mopperde hij. Ik stemde daar volmondig mee in. ‘Dat klopt ook wel, want ik ben inmiddels bijna hoogbejaard‘ zei ik.

 

Ik roemde hem vervolgens uitgebreid om zijn geduld: wat goed dat hij het toch maar uithoudt met zulke domme, oude, lelijke ouders. Dat getuigt toch van een enorme superioriteit van zijn kant. Een verhevenheid die dertienjarigen zelden hebben. Wat moest het vervelend zijn voor hem, zo’n enorm intelligent, bovenmenselijk sterk en superieur kind, om in zo’n minderwaardig gezin te wonen. Ik zou weglopen als ik hem was. Onder de brug was het beter dan bij ons.

 

Zo praatte ik op hem in.  Af en toe zag ik een onwillekeurig glimlachje om zijn mond, dat hij natuurlijk snel onderdrukte. Want dat was niet cool, natuurlijk.

 

‘Ik word nog liever zwerver dan dat ik bij jullie woon’ zei hij. ‘Snap ik helemaal‘ zei ik. ‘Je kunt je tenslotte niet steeds zo blijven verlagen tot ons niveau. Sterker nog, ik ben het met je eens dat onder een brug slapen echt beter is dan bij ons thuis.’

We zagen een brug. Ik wees ernaar. ‘Daar zou je kunnen slapen’ zei ik. ‘Ik zou het niet durven, maar jij waarschijnlijk wel. Jij durft alles‘.  Zijn schouders werden breder en zijn neus ging omhoog. ‘Tuurlijk durf ik dat. Eitje. Ik word heus niet verkracht of zo’.  ‘Tuurlijk niet. Jij kunt je verdedigen, jij kunt alles!‘ zei ik bewonderend.

 

We keken onder de brug, onderzochten hem. Er was weinig te zien, maar het was geruststellend dat er een met beton versterkt plaatsje was waar je droog kon slapen. ‘Wel zonder slaapzak, toch?’ vroeg ik. ‘Want anders is het Alsof hij gedachten kon lezen! ‘. Daar was hij het mee eens. 

 

Alles om niet thuis te hoeven slapen, zei hij stoer. Maar ik zag de pretlichtjes in zijn ogen. Hij genoot van deze woordenwisseling!

We liepen nog een stukje verder.

‘Dat je niet van die hoge brug springt!’ zei ik verwonderd, terwijl ik naar een hoger viaduct verderop wees. ‘Als het zo erg is als jij zegt, zou ik dat doen. Ben je meteen overal vanaf!‘ *

 

Oh, dat leuk hem wel een goed idee. ‘Zou ik zo doen’ zei hij met jongensachtige bravoure.

‘Nou, ik niet’, zei ik, ‘daar ben ik echt te schijterig voor’. Hij benadrukte nogmaals dat hij wel zo stoer was natuurlijk.  Ik vroeg of we niet samen konden gaan. ‘Samen met jou durf ik het wel!‘ zei ik.

Hij keek me aan alsof ik een vreemd vies wezen was. ‘Écht niet!’ zei hij met klem. ‘Ik wil toch niet samen met jou onder die brug gevonden worden!? No way!’

Spitsvondig en snel was hij.

Veel plezier had hij in deze snelle discussie, die de randen van het acceptabele opzocht zonder dat er schuttingtaal voor nodig was. 

Hij liet af en toe bewust blijken echt wel door te hebben waar ik mee bezig was, want ik mocht natuurlijk niet denken dat ik hem kon bespelen. Daar stond hij duidelijk boven.

 

Soms wendde hij zich af zodat ik niet zou zien dat hij zijn lachen echt niet meer in kon houden. Hoe absurder mijn lofbetuigingen werden, hoe energieker zijn stap werd, en hoe meer de toon in zijn stem veranderde naar die van een normaal gehumeurd mens in plaats van een opstandige puber.

 

Eenmaal thuis ging hij enthousiast leren. De knorrigheid was eruit, hij reageerde op alles als een normale, vrolijke 13-jarige. Het was de provocatie én de intellectuele uitdaging die hem in de juiste stand zette. Het ijsje onderweg zal overigens ook wel bijgedragen hebben.

 

Alleen zegt hij nog steeds dat hij vanavond echt onder een brug gaat slapen. Alsof het om een vrolijk logeerpartijtje gaat. Ergens heb ik toch iets niet goed afgehecht, geloof ik. 🤣

De belangrijkste tool ben je echter zelf.

Provocatief is slechts één van de tools die je kunt inzetten in de omgang met je hoogbegaafde kind. 

* Disclaimer: dit onderdeel kan kinderen die echt depressief of somber zijn, op ongewenste ideeën brengen. Ik wist heel zeker dat dit niet speelde bij deze zoon en voelde in het gesprek goed aan dat ik zover wel kon gaan. Weet dat dit natuurlijk niet zomaar altijd kan!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *